26 november 2015

De Burundese spiraal van geweld

Sinds president Pierre Nkurunziza in april dit jaar aankondigde zich verkiesbaar te stellen voor een derde termijn is het onrustig in Burundi. In juli 2015 won hij de verkiezingen waarna het geweld in het land oplaaide. Sindsdien zijn ongeveer 200 mensen omgekomen en 200.000 mensen op de vlucht geslagen. De Verenigde Naties overweegt om een vredesmacht te sturen en Nederland heeft een deel van de hulp aan Burundi opgeschort. Buitenlandreporter Andrea Bartman dook in de geschiedenis van Burundi om meer te begrijpen van de recente gebeurtenissen.

Volgens zijn tegenstanders gaat de derde termijn van president Pierre Nkurunziza in tegen de grondwet. Een Burundese president kan namelijk slechts voor twee termijnen gekozen worden. Naar eigen zeggen telt de eerste termijn van Nkurunziza echter niet mee, hij is in 2005 namelijk niet door het volk, maar door het parlement gekozen. Een Burundese rechtbank deelde zijn visie, maar kwam hoogstwaarschijnlijk onder druk tot deze conclusie. Zo lukte het hem om, ondanks de bezwaren van de internationale gemeenschap, aan de macht de blijven. Het moeilijk kunnen afstaan van de macht is een vaker voorkomende kwaal onder Afrikaanse machthebbers. President Museveni van Oeganda is bijvoorbeeld al sinds 1986 aan de macht.

Huizen gemarkeerd met rode verf
Niet alleen zijn kandidatuur was twijfelachtig, ook de verkiezingen zelf verliepen verre van vlekkeloos. De VN en mensenrechtenorganisaties maakten melding van intimidatie en mensenrechtenschendingen tegen de oppositie. In september 2015 werd een belangrijke oppositieleider vermoord. Eerder vielen collega oppositieleden hetzelfde lot ten deel. Aan de vooravond van de verkiezingen sloegen tienduizenden Burundesen op de vlucht voor overheidsgezinde jeugdmilities. Naar verluid gingen zij van deur tot deur om huizen van vermeende aanhangers van de oppositie te markeren met rode verf; een dreigende aankondiging van een minder vriendelijk vervolgbezoek. Van eerlijke, vrije verkiezingen was duidelijk geen sprake.

De recente gewelduitbarstingen vinden plaats in een land dat sinds 2006 een fragiele vrede kent. Daarvoor was Burundi verwikkeld in een bloedige burgeroorlog. Bij Hutu’s en Tutsi’s denken wij al snel aan de genocide in buurland Rwanda, waarbij in 1994 ruim 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s in een zeer korte tijd en vaak op gruwelijke wijze werden vermoord. Maar de spanningen tussen Hutu’s en Tutsi’s en het hieruit voorkomende etnische geweld waren niet aan Rwanda voorbehouden. In Burundi kwamen tijdens de burgeroorlog tussen 1993 en 2006 honderdduizenden mensen om het leven. Geen genocide zoals in Rwanda, maar wel een aaneenschakeling van massamoorden, geweld en staatsgrepen, die grotendeels aan de rest van wereld voorbij is gegaan.

Jarenlange spanningen tussen Hutu’s en Tutsi’s
Voor de oorsprong van deze geweldsspiraal moeten we verder terug in de tijd. Al voor de kolonisatie van het gebied door de Belgen waren Tutsi’s een bevoorrechte minderheid. Net als in Rwanda. De koloniale macht maakte hier dankbaar gebruik van en onder de Belgische verdeel-en-heers-politiek behielden de Tutsi’s privileges. Toen het land in 1962 onafhankelijk werd, lieten de Belgen de gevaarlijke combinatie van een machtsvacuüm en verscherpte etnische scheidslijnen achter. De jaren erna kenmerkten zich door geweld, moordpartijen en militaire coups. Zowel Hutu’s als Tutsi’s maakten zich hier schuldig aan. De gewelddadige gebeurtenissen kwamen in een stroomversnelling toen de eerste Hutu president, Melchior Ndadaye, in 1993 werd vermoord. Dit markeerde het begin van de burgeroorlog.

In 2000 werd met het akkoord van Arusha de gang naar vrede ingezet. Hierin werd de macht verdeeld tussen de verschillende etnische groepen. In 2005 liepen de verkiezingen waarbij de Hutu Nkurunziza aan de macht kwam relatief rustig. Deze verkiezingen waren onderdeel van het vredesproces waarmee in 2006 de burgeroorlog tot een einde kwam. Maar geweld was nooit ver weg in Burundi. Pas in december 2008 werd de vrede getekend met de laatste actieve rebellengroepering. De verkiezingen van 2010 verliepen gewelddadig, de oppositie werd geïntimideerd en repressie door de jeugdmilities van Nkurunziza nam toe. Burundi werd in feite een eenpartijstaat.

De overheid versus de oppositie
De huidige tegenstellingen vinden niet plaats langs etnische lijnen. Het zijn niet de Hutu’s tegenover de Tutsi’s. Zowel president Nkurunziza als zijn belangrijkste opponent zijn Hutu’s. Het zijn de president en zijn aanhangers tegenover de oppositie. AFP citeerde in mei dit jaar een Hutu die vanwege zijn lidmaatschap van een door Tutsi’s gedomineerde oppositiepartij het land ontvluchtte. “Wij zijn gemengd. Ik kan niet onderscheiden wie Hutu is en wie Tutsi. Wij zijn de oppositie”. Toch bestaat de vrees dat door de huidige onrust etnische spanningen opnieuw naar de oppervlakte komen en Burundi daarmee verder verzeilt raakt in chaos en geweld. Dat het land een van de armste landen van de wereld is waar een alarmerend hoog aantal inwoners honger lijdt maakt de situatie niet makkelijker. De VN commissaris voor mensenrechten waarschuwde dat het aanmoedigen van etnische scheidslijnen een trigger kan zijn voor geweld van catastrofale proporties.

Op 10 november heeft PvdA-Kamerlid Van Laar Kamervragen gesteld aan minister Ploumen van Ontwikkelingssamenwerking en haar opgeroepen om er alles aan te doen om een verdere escalatie van het conflict te voorkomen. Zij heeft toegezegd haar uiterste best te doen om via de EU, het Vaticaan of de VN een dialoog tussen de president en de oppositie tot stand te brengen. Mocht president Nkurunziza dit weigeren, dan zullen er sancties volgen, aldus de minister. Daarnaast sprak op 18 november minister Koenders van Buitenlandse Zaken met zijn Burundese ambtsgenoot. Hij riep hierbij op om de veiligheid in Burundi te verbeteren. Het is te hopen dat hij hier gehoor aan geeft en een grotere crisis wordt voorkomen. Een blik op de geschiedenis van Burundi sinds de onafhankelijkheid doet echter het ergste vrezen.

Door Andrea Bartman, PvdA Buitenlandreporter

Op 25 november hebben de PvdA-Kamerleden Servaes en Van Laar aan de ministers van Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken opnieuw vragen gesteld over de schrijnende situatie in Burundi, onder andere naar aanleiding van het schorsen van tien maatschappelijke organisaties.